

Beginpagina - Dronrijp: deze maand - Nijsgjirrigens
| BIJBELSE TEKENING |
Wij zijn in het bezit
van een bijbelse tekening 72-52 cm groot.
Ondertekend met de naam Jan Meyer Fecit Dronrijp 1860.
Wie kan gegevens verstrekken over deze man?

| HEAREWEI NR. 3 |
Aan de Hearewei nr. 3
wonen nu Antje en Bertus Kingma met hun 2 kinderen. Sicco als oudste met 15
jaar en Marijke is 13 jaar. Het is een heel oude en nu nog steeds originele
boerderij. Alleen het boerenbedrijf wordt er niet meer uit geoefend.
In het verleden was het wel een boerderij, een vlashandel is er ook nog gevestigd
geweest, later was nog een loonbedrijf in gevestigd. Vader Krottje heeft ongeveer
in 1940 de boerderij overgenomen en het loonbedrijf gevestigd. In 1983 is
het pand verlaten en is hij in het huis ernaast aan de Brêgebuorren
getrokken. Daar woont nu nog een dochter van hem. Ook is uit het oude oudershuis
een zoon getrouwd.
In 1710 op 25 en 26 april zijn
tot Pijter Aukes in de schuijre (hjoed de dei biwenner Tamme Krottje) 2 dromedarissen
uijt Arabiün te bezien geweest.
De eene was 40 en de andere 5 jaaren oud, leefden soo lang als een mensch,
hadden twee bulten, de eene was agter bij de staart en de andere op de rugge.
Zij worden dagelijks gevoedet met 4 halv brooden, beneffens stijkkels, nettels,
koolbladen etc. 't waren vervaarlijk groote beesten, hadden gekloofde voeten,
een kleijne staart en kleijne ooren; een bout deur 't bovenste van de neus,
met knoppen aan weerzijden, daarmede worden se geleijd en gemennet; waren
omtrent 11 á 12 voeten hoog etc. waarop verscheijdene luijden uit nieusgierigheidt
zitten gongen…."
Dit was geschreven door dhr. P. Palma en te lezen in de informatiegids van
1972/73.
Ik heb ergens gelezen (maar ben de artikel kwijt) dat in Franeker omstreeks
die tijd een dromedaris tentoongesteld was. Ik denk dat het hier om dezelfde
dieren gaat want dromedarissen zijn nu nog niet zo dik gezaaid in Friesland
en vooral in die tijd.


Bertus wilde niet in een
nieuwbouwwijk wonen, dus of in het oude gedeelte of geheel buiten Dronryp.
Huidige pand was door gemeente aangekocht en stond 2 jaar leeg en zou gesloopt
worden. Het was gesaneerd, dus er mocht geen bedrijf in gevestigd worden.
De prijs was niet zo hoog want er moest veel aan gebeuren. De schuur was een
hele bouwval. Staat nu prachtig bij en er wonen nu een paar kippen in.
De heer Kingma is timmerman en houd ervan om de dingen zoveel mogelijk in
de oude staat te herstellen. Dat is ook te zien aan het pand aan de buitenkant,
de tuin maar ook in de kamer. Daarbij is het gerief niet buiten beschouwing
gelaten en toch lijkt alles origineel oud.
Zo is de woonkamer groter gemaakt doordat de bedsteden eruit gehaald zijn
en de daardoor ontstane nieuwe muur met zelf-gemaakte panelen zodanig gemaakt
dat men niet zien kan dat deze weg zijn. Het huis wordt verwarmd met centrale
verwarming maar zeer mooi achter panelen weggewerkt, en de houtkachel brand
heel gezellig voor de mooie schouw. Op de grond staat een antieke weegschaal
en aan de muur hangt een hele oude klok de uren te tellen. Vanuit de hal kan
men in de keuken komen maar die zal ook nog een bewerking ondergaan verteld
Bertus en de bijkeuken was vroeger een stal en voordat het stal werd was het
bijkeuken. Zo gaat de tijd. In de huidige stal zijn nog de koe-afdelingen
te zien met een dichtgelegde grup en aan de overkant zijn de paardenstallen
geweest. Heel interessant is een boogvormig metselwerk aan de scheidingsmuur
tussen de smidse en het teskhuus (werkruimte van de boer). Vroeger was daar
een opening en kon de smid lange werkstukken welke hij anders niet had kunnen
bewerken doorschuiven en zodoende toch daarmee aan het werk zijn, zo verteld
Bertus heel enthousiast.
Blijkbaar was in die tijd het vlas
een goede bron van inkomsten want ook stond hier een roepelbank (vlaskam).
Dat was een bank met centimeterslange spijkers dicht naast elkaar met de punten
naar boven, daar werden de geweekte bundels vlas op geslagen en langsgetrokken
en zodoende de vezels losgemaakt. In 1989 stond het pand al eens op de voorkant
van het toenmalige maandelijkse informatieblad, omdat de muur aan de straatkant
en het riet van het dak helemaal gerestaureerd werden.
Hoe zeer Bertus aan originaliteit hecht verduidelijkt het volgende: aan een
bestaande boerderij moesten werkzaamheden plaatsvinden en de opdrachtgever
vond het niet nodig om een uilenbord te plaatsen. De antwoordt van Bertus
was: "Dan zoek maar iemand anders, een uilenbord hoort bij een boerderij
en zonder begin ik helemaal niet aan." Gevolg was dat er een uilenbord
kwam.
| OBBEMA STATE |

Om in
toevoer van interessante historie over Dronrijp te voorzien, kan ik misschien
een kleine bijdrage leveren in de vorm van mijn kennis (via overlevering)
van de geschiedenis van "Obbema State" te Hatsum.
Jaren lang heb ik vergeefs gezocht naar de oorsprong van de naam "Obbema
State", tot dat ik een oude geschiedenis beschrijving onder ogen kreeg,
waarin de naam Obbema werd genoemd. Hierin werd beschreven dat er bij een
restauratie van de kerk van Deinum (jaren terug, ik ben het preciese jaartal
vergeten) een buidel met geld was opgegraven. Ingesloten in de buidel was
een brief van een Obbema. Hierin schreef hij dat hij bij het aanbreken van
de oorlog met Napoleon door de staat van Nederland opgeroepen (geronseld)
was, om tegen het leger van Napoleon te vechten. Zijn garnizoen wachte een
slag af tegen het Franse leger in de buurt van Deinum. Hij heeft daar toen
bij de kerk zijn bovengenoemde aardse bezittingen begraven. Hij heeft blijkbaar
de slag niet overleefd.
Vervolg van het verhaal: Ik ben persoonlijk in het bezit van een copie van
al de eigenaars, bewoners en huurders, met jaartallen erbij, van "Obbema
State"sinds de Napoleonse tijd. Toen de Nederlanders uiteindelijk Napoleon
het land weer hadden uitgeschopt, kreeg een officier van het Nederlandse leger,
als dank van de staat voor zijn bijdrage in de overwinning, de "Zathe
en Landen van Obbema State" aangeboden. (Blijkbaar waren er dus geen
directe naverwanten van de bovengenoemde Obbema, en was het eigendom aan de
staat vervallen.) Ik kijk het nog even na op mijn copie, de naam van de officier
was "majoor Hector van Glinstra", maar de datum erbij is 1698. Ik
meende dat Napoleon pas in 1713 aan zijn "Waterloo" kwam, maar misschien
dat hij al veel eerder weer uit Friesland verdween. Misschien kan iemand dit
geschiedkundig nog eens napluizen.
Naderhand is "Obbema State" in handen van verschillende families
geweest, o.a is het een tijd het bezit geweest van de adelijke familie van
de Jonkheer Vegelin Van Claarbergen. In 1886 heeft mijn bet-over grootvader,
Jacob Lammert's Dijkstra het gekocht voor zijn zoon, mijn over grootvader,
Lammert Jacob's Dijkstra. De boerderij stond toen met de kop (voor-eind) naar
het noorden. Het is toen door hem afgebroken , en hij heeft daarna een nieuwe,
"moderne" boerderij gebouwd met de kop naar het zuiden (naar de
weg). Daarna is het overgegaan aan mijn grootvader, Douwe Lammert's Dijkstra.
In de winter van 1933 is deze boerderij onder misterieuze omstandigheden (pyromaan?)
geheel afgebrand, waarbij ook de gehele veestapel verloren ging. Het is daarna
weer opnieuw opgebouwd met de nieuwste brandbeveiligingen (niet alleen een
volledige stenen brandmuur tussen bedrijfs- en woongedeelte, maar ook betonnen
muren en zolder voor het stalgedeelte, met automatisch sluitende stalen luiken
en deuren in geval van brand.) In 1943 heeft mijn vader, weer een Lammert
Jacob's Dijkstra het overgenomen. Hij heeft er tot 1991 gewoond.
Ik heb van mijn grootvader en mijn vader vaak gehoord van de afgraving van
de terp van Obbema State onder leiding van een Groningingse archeoloog, een
zekere professor Van Giffen (omstreeks 1922-1923), en de daarbij betrokken
onderzoeken en ontdekkingen. Ik weet dat er veel aardewerk, oude gereedschappen
e.d. zijn gevonden. Er is zelfs een heel lijk (geraamte) gevonden. Volgens
mijn grootvader is dit lijk onder begeleiding van de professor toendestijds
per trein rechtstreeks naar het museum in Groningen vervoerd. (Ik heb via
kennissen vernomen dat er op dit moment (Februari- Maart 2006) een speciale
expositie is over deze opgravingen in het Groninger museum.) Veel van het
aardewerk is ook naar de toenmalige huisarts van Dronrijp, genaamd Van der
Kooi, overgenomen. (Toen ik opgroeide als jongen (omstreeks 1960) was het
nog in het bezit van dokter Van der Kooi (de zoon?). Hij had veel ervan tentoon
gesteld in de wacht- en spreek kamer.)
Indien er iemand is die nog meer aanvullende informatie heeft over de geschiedenis
van "Obbema State", dan zou ik daar graag contact mee op willen
nemen.
Jan Dijkstra.
OORBIET |

In Dronryp staat een huis bijna aan het einde van Tichelwurk. Dat was vroeger
het huis van de baas van de steenfabriek. Erachter is een veld met nog een
huis. Dit was in tweeën gedeeld en daar woonden vroeger de vaste arbeiders
van diezelfde steenfabriek. Nu woont daar de heer Eekema met zijn gezin.
Hoog boven aan de zuidzijde van het huis aan de Tichelwurk nr. 11 zijn twee
gedenkstenen ingemetseld. Deze zijn vanaf de weg te zien, iets verscholen
achter de bladeren van de boom. Daar staan twee namen in. Aan de andere kant
van het huis, de noordzijde, staat dat in het jaar 1736 door Lucia Aurelia
Schik de eerste steen aan de Ticheloven is gelegd.
Maar wat het meest de aandacht trekt is de gedenksteen van de twee vechtende mannen in een boot. Het is een open boot met een zwaard en een duidelijk zichtbaar roer. Dit op zichzelf is al een teken dat het geen boeren zijn, want boeren voeren toen in die tijd op schuiten of andere werkvaartuigen. Aan de kleren en aan de kleine hoeden op de vloer van de boot kan men zien dat het adellijke jonge mannen zijn.
Daaronder
staat een spreuk
:
Door de
Nyt wordt Twist Geboren
Door Gebyt Dit Oir Verloren
Het verhaal gaat dat de twee zonen van de slotheer waren verliefd op hetzelfde meisje en in de minnetwist beet de een de ander een oor af. Dus de naam Oorbiet is niet geheel onterecht. Zo heette dus ook de steenfabriek.
De schrijver van de documentatie, de heer D. Hoitsma, een zoon van de laatste baas van de steenfabriek, beschreef het procédé van een steen maken heel nauwkeurig, men kan dus aannemen dat de zin over de legende Oorbiet waarin staat dat 'het slot achter de steenfabriek waar nu de veehouder J. de Boer woont' juist is. Dit moet dan Groot Heerema geweest zijn. Die state is door de dichter Daniel Willink bezongen in zijn werkje: de Lustplaats Groot-Herema. De steenfabriek werd in 1919 afgebroken en het land, behalve de huizen, werden door de J. de Boer bij zijn boerderij betrokken. Sindsdien heet de boerderij in de volksmond 'de Oorbiet' en de boer 'boer Oorbiet'.
Die verteller, Jan de Boer, is vanuit Achlum op 7 jarige leeftijd met zijn vader Hoite, moeder Akke en zijn twee zussen Ruurdje en Jeltje de Boer naar Dronryp gekomen. Dat is nu 69 jaar geleden. Na 1 jaar de boerderij gepacht te hebben van aannemer/eigenaar Wenselaar uit Schingen brak er brand uit.
De grootvader
van de huidige boer, Willem de Boer, klauterde met de lamp, toen waren het
nog allemaal petroleumlampen, naar de hooizolder en stapte daar in een gat
en de lamp viel uit zijn handen. De gevolgen zijn bijna vanzelfsprekend. De
boerderij werd weer heel keurig opnieuw gebouwd door de aannemer. Later heeft
grootvader Hoite de boerderij gekocht. Het land ligt tussen de vaart en het
Harinxma kanaal en vanaf daar waar vroeger de bocht van het kanaal was tot
aan de kippenslachterij en zuivelfabriek bij de brug van de Dubelestreek richting
Hatzum. Vroeger was bij de Dubelestreek de brug over het toenmalige kanaal
en de brug die er nu is was nog niet.
De heer de Boer weet aan de spreuk van Oorbiet nog iets aan toe te voegen:
Door haat en nijd werd twist geboren
En door gebijt een oor verloren
Door haat en nijd
Onstond oorbijt
Ook vertelde hij over de oorlog, over onderduikers en over het fusilleren bij de brug. Tussen Hatzum en Deinum heeft het verzet een trein laten ontsporen. Daarop werd door de Duitsers als wraakactie 13 jonge mannen opgepakt. Ze zouden op de plek van de daad doodgeschoten worden. Maar de brug stond open en er kwamen Engelse vliegtuigen aan dus werden ze daar neer geknald en de SS-ers maakten dat ze wegkwamen. Een jonge man leefde nog en werd door mensen uit de buurt snel weggebracht en door de dokter van de Kooi, die ook ondergronds was, verzorgd. De plek des onheils is heden ten dage gemarkeerd door een kruis voor de brug. Onder aan het water zijn de gedenkstenen met de respectievelijke namen en geboortedata.
Op de boerderij waren ook 7 onderduikers. Op een nacht, in februari, de vaart
was bevroren en er lag sneeuw, stonden aan de overkant soldaten te proberen
om over te steken. Maar ze vertrouwden de dikte van het ijs toch niet. De
onderduikers zijn snel weggekropen en Jan, hij was toen nog een jong van 15
jaar, heeft snel 2 geiten in het hok van de onderduikers gedreven. Het was
net een spannend jongensboek, achteraf, maar toen was het gevaarlijk, want
er waren ook wapens opgeslagen in de boerderij onder het hooi.
Op de vierkante bult die heden ten dage nog zichtbaar is en door de werkverschaffing
is geproduceerd, stonden in de nadagen van de oorlog op elke hoek iemand met
een zaklamp en dan konden door vliegtuigen wapens en munitie afgeworpen worden.
Dus was het maar goed dat het ijs niet echt te vertrouwen was.
Op de boerderij die nu 'Oorbiet' genoemd wordt waren in het begin 15 koeien en de heer de Boer was 25 jaar melkrijder. Zo met die oude melkkannen welke aan de weg stonden. De jeugd weet dat niet meer, kent deze alleen nog maar met hele mooie schilderijtjes als paraplubak, carbid- schieten of iets dergelijks. Toen de melktanks in de 80-er jaren kwamen waren de melkrijders overbodig en de boerderij werd uitgebreid naar 200 varkens en dat zijn nu 1600. Maar van het hoornvee is niet definitief afscheid genomen. Nog steeds worden 25 pinken gekocht en als ze drachtig zijn worden ze geëxporteerd.
De heer Jan de Boer woont nu in het dorp en zijn zoon beheert de boerderij. Als er veel werk is helpt hij nog wel mee, maar er zijn ook nog andere leuke bezigheden. Bijvoorbeeld het biljarten. In drie jaar tijd zijn heel wat bekers gewonnen. Secretaris van de vereniging in de Drenningahof wordt daar ook nog bij gedaan. Al met al een druk bestaan en geen moment verveling.
| SCHATZENBURG |
De autoweg van Leeuwarden richting afsluitdijk is een prachtig stuk bouwwerk.
Jammer is alleen dat daardoor het nog veel prachtiger en historisch verantwoord
bouwwerk, Schatzenburg dus, daardoor als het ware van Dronryp werd afgesneden.
Iemand die het niet weet associeert Schatzenburg zonder meer met de camping
en het armzalig gekonkel rond het zwembad.
De werkelijkheid is dat Huize Schatzenburg, een state die rond 1720 in opdracht
van Hermanus Huber en zijn zwager Ch. de Hertoghe werd gebouwd, daar helemaal
niets mee te maken heeft. Wij beperken ons dus tot deze, voor Dronryp toch
belangrijke state in dit verhaal. Om de schande van de autoweg een beetje
te verzachten heeft de huidige bewoner een stuk tuin aan de westkant toegevoegd.
Om dat te kunnen doen moest wel een, voor de boer voordelige, landruil plaatsvinden.
Dat stuk toegevoegde tuin wordt met een waterpartij en in Friesland in het
wild voorkomende struiken en bloemen omgetoverd tot een prachtige heemtuin.
Er zijn twee eilandjes in de vijver welke onderling door bruggetjes verbonden
zijn en beiden hebben een landverbinding via een brug. Dit alles is op monumentendag
te bewandelen. Deze waterpartij, en ook het overige water wordt van vers water
voorzien door een grote pomp die aan de kant van boer Sinnema in de sloot
staat. Bij de heemtuin is dan weer een overstroom in de daar zijnde sloot.
Bij elkaar is dat nog een hele onderneming geweest en vergde ook wel enig
technisch inzicht en de nodige werklust van velen.
De nieuwe en de oude tuin zijn verbonden door een laantje, de zogenoemde Juffersreed.
In vroegere tijden was dat het paadje vanaf de state naar de kerk en ook toen
al was dit weggetje overschaduwd door hoge bomen. Het was namelijk heel lang
de mode dat dameshuidjes zo blank mogelijk moesten zijn. Daarom zijn er ook
nu 70 zilverlinden langs het pad geplant.
Aan de oostkant van de tuin is een boomgaard. De daarin staande fruitbomen
kunnen door de dorpelingen van Dronryp en omgeving, voor een klein bedrag,
telkenmale voor een jaar "geadopteerd" en dus geplukt, worden. Van
dat geld trakteert de huisbewaarder, mevr. Breuker, op monumentendag de bezoekers
op thee of koffie met een koek.
Tegen het huis aan de zuidwestzijde groeien een tweetal eeuwenoude Moerbeibomen.
Deze geven de state aan deze kant een schilderachtig aanzien. Door leeftijd
en wind is een tak afgebroken maar er is nog voldoende over om het prachtige
te kunnen zien. Men vindt deze moerbezie in oude klooster- of kasteeltuinen,
maar zo als leiboom heb ik hem nog nooit gezien. In de muurkas groeien druiven
welke vast en zeker door de warmte heel zoet zullen smaken. In de eveneens
zuidwestelijk gelegen moestuin kan men de liefde voor het behouden van het
oorspronkelijke bevroeden. De kleine akkertjes geven het gevoel alsof men
een stap terug in de tijd is.
Op het
erf, als men de statetuin zo mag noemen, staat nog een garage en geheel achteraan
staat het 'huisje van Giesing', de vroegere woning van de tuinman. Tegenwoordig
wordt de tuin onderhouden door hoveniers die gespecialiseerd zijn in het onderhouden
van tuinen om en nabij kastelen en states.
Maar wie zijn nu de mensen die zich al deze moeite getroosten om dit huis
voor het nageslacht maar ook voor de bezoeker op monumentendag te bewaren?
Stichting Vredenhof, waarin sinds het einde van de 19e eeuw enkele boerderijen,
de hofjes in Dronryp en Schatzenburg verenigd zijn, wordt op dit moment bestuurd
door de heer W. Poerink (Zeist) en door de huidige bewoner van Schatzenburg
Jhr. W.F.G.L van Beijma. Zij beide zijn - zoals in de statuten van de stichting
wordt voorgeschreven - nakomelingen van de ouders van de stichteressen van
gasthuis Vredenhof, Agnes Alida en Judith Anna Huber.
Op het
internet vinden wij over de Van Beijma's onder meer bij het hoofdstuk:
'De Adellijke families - Prins van Waldeck - van Beijma - van Cammingha
'
……de Beijma 's kunnen we omschrijven als een progressieve (ondernemend)
en actieve familie. Voornamelijk vanaf de 18e eeuw is er veel door deze familie
geïnnoveerd. Ik denk dat in tegenstelling van vele adellijke families
de Beijma's zeer progressief waren, adelen waren vaak conservatief. Het toeval
treft, er waren een tweetal vrouwelijke Beijma 's getrouwd met de adellijke
familie van Harinxma Thoe Slooten. Wat hebben de Beijma 's zo al gedaan? In
1781 was Coert Lambertus van Beijma de leider van de democratische patriotten
in de Friese Staten vergadering. Deze partij was de mond van de gewone burgers
en boeren. Dit is ook wel toepasselijk voor een Van Beijma, omdat de Van Beijma
's van oorsprong een plattelands adellijke familie is. In 1787 vond er een
staatsgreep plaats. Deze werd geleid door Coert Lambertus van Beijma. Hij
werd de leider van de tegenregering Franeker, maar dit duurde niet lang. De
Pruisen vielen Friesland binnen en hij moest vluchten. In 1813 werd Friesland
een 'provincie ' van het nieuwe Koningrijk der Nederlanden. De Van Beijma
's klommen meteen op. Ze bekleden al snel belangrijke posities. De kleinkinderen
van Coert Lambertus van Beijma volgen het voorbeeld van hun grootvader en
werden voorvechters voor een democratische staatsinrichting.'
Einde aanhaling.
Johannes Lambertus Huber, die Schatzenburg rond 1780 in eigendom had, was
een groot vriend van de patriot Coert Lambertus van Beijma en ook hij moest
vluchten naar Noord Frankrijk.
Schatzenburg werd door de staat verbeurd verklaard, waarna het in 1790 in
handen kwam van Comelis Martinus Haersma te Wijckel. Na nog enkele eigendomswisselingen
kocht Johannes Lambertus Huber Schatzenburg tenslotte in 1809 weer terug.
In 1836
heeft Mr. Quaestius de state geërfd en tot 1887 erin gewoond. Hij heeft
belangrijke verbeteringen aan niet alleen het huis, maar ook aan de tuin,
laten aanbrengen, De toenmalige voogden van gasthuis Vredenhof vroegen Quaestius
hun vergaderingen bij te wonen om te adviseren in vooral financiële aangelegenheden.
Toen Quaestius in 1887 overleed bleek uit zijn testament dat hij het huis
Schatzenburg plus enkele boerderijen rond Dronrijp en Engelum aan het gasthuis
Vredenhof had nagelaten, opdat "uit de jaarlijkse pachtopbrengsten Schatzenburg
in nette en voldoende toestand zou worden gehouden en onderhouden". Vanaf
dat moment werd Schatzenburg gebruikt door de voogden van Stichting Gasthuis
Vredenhof. In eerste instantie ruim een halve eeuw door twee gezusters Huber,
waarvan een de grootmoeder van de huidige bewoner is, gehuwd was met burgemeester
Jhr. J.M. van Beijma van Leeuwarden, terwijl de andere gehuwd was met W. van
Rijswijk de Jong.
Deze beschrijving begon met de hedendaagse tuin en zal eindigen met het hedendaagse
huis. Zoals al beschreven is de tuin tijdens monumentendag te bezichtigen,
dat is niet het geval met de state. Dit heeft uiteraard een geldige reden.
Er is niet lang geleden een grote en dure restauratie geweest.
Degene die geïnteresseerd is zal het vooralsnog met deze beschrijving
moeten doen. De binnenkant van de state werd zeer rigoureus aangepakt om alles
weer in zijn oorspronkelijke staat terug te brengen. Helaas betekende dit
ook dat delen van de vorige restauratie door de heer W. van Rijswijk de Jong,
weer afgebroken moesten worden. Nu zijn de wanden bijvoorbeeld weer origineel
bekleed met speciaal daarvoor in Frankrijk geweven stof met het oude motief.
Er zijn maar heel weinig weverijen die dat nog kunnen en ook voor Paleis Het
Loo zijn bij dezelfde makers stoffen voor wandbekleding gemaakt. Er is een
groene kamer, een rose kamer en een blauw/gouden kamer. De bibliotheek is
een heel geriefelijk en bijna knus te noemen kamer geworden. Daar zijn de
wanden geheel met eikenhout bekleed. De marmeren plavuizen in de hal zijn
weer allemaal op dezelfde hoogte gebracht. Onder de plavuizen is een schelpenlaag
en die wil nog wel eens door gebruik vergruizen.
Aan de muren hangen oude schilderijen hoofdzakelijk van illustere voorvaderen,
maar ook eentje van Prinses Maria Louise van Hessen Kassel (Marijke Meu),
die als weduwe van Stadhouder Willem II in Leeuwarden in het Prinsessenhof
naast de Oldenhove en tegenover de Prinsentuin woonde. Het hele gebouw is
van centrale verwarming voorzien om de temperatuur voor de meubels en schilderijen
zo constant mogelijk te kunnen houden .
Een grote moeilijkheid was dat het archief van Schatzenburg in de tweede wereldoorlog
verloren is gegaan.
Via onderzoek en redeneren is het huidige resultaat bereikt. Uit Dronryp is
de timmerman Venema, van de Skilpaed bij de restauratie betrokken geweest
en die heeft met vakkundige hand getimmerd en ook nog oude, originele dingen
achter de gipsplaten gevonden.
Officieel is niet bekend hoe Schatzenburg aan zijn naam gekomen is. Mogelijk is de naam overgenomen van een van de vroegere eigenaren, de heer Schatz of Schrass, van de sathe die op de landerijen stond nog ver voordat het juweeltje Schatzenburg op het erf verscheen.
| DE HERBERCH HALFWEG |

Net allinne
de doarpslju mar ek de tûzenen reisgers, dy’t de strjitwei passearje,
witte daliks hwer’t it oer giet as ik de herberch “Halfweg”
neam. Se kenne it allegearre, it âlde, wol hwat forfallen, mar dochs
foars en stoer gebou.
As herberch seit it net folle mear en mei Maeije hielendal net mear, hwant
de forgunning giet der út en it gebou sil ta wenhuzen fortimmere wurde.
Dêrmei wurdt in histoaryske periode fan goed 100 jier ôfsletten.
Ta ôfskie oan “Halfweg” wol ik hwat bysûnderheden
meidiele en sa in part fan syn skiednis fêstlizze.
Syn namme is “Halfweg”, nederlânsk dus. Ik haw der 20 jier
om en by forkeard, mar de Fryske namme ”Healwei” haw ik selden
heard. Der hat wol in “Healwei” op ’e Ryp west, noutiids
hielendal út it ûnthâld wei, mar yn myn bernejierren haw
ik dy namme noch wol heard. It is it krúspunt fan Skilpaed en Singel,
healwei de Tsjerke- en de Brêgebuorren. De iepenbiere skoalle stiet
op dat âlde Healwei. Yn myn Rypstertiid seinen wy fan Greate Skoalle
of Steatsskoalle. It skilpaed is gjin Skilpaed mear, de Slotsingel hat fan
syn gloarje forlern en Healwei is út it únthâld.
De herberch “Halfweg” is boud yn 1842. Hy is dus 107 jier âld.
Hy is setten doe’t de greate strjitwei Harns-Ljouwert oanlein is, sa
dwars troch alle lânnen hinne, en tusken Frjentsjer en Marssum is it
ien rjochte wei. In eigentlijke strjitwei hat it net west; hy is nea bifluorre.
Op ‘e âlde kaert stiet er dan ek oantekenen as macadamwei. Ik
haw him yn myn jongestiid oars net kennen as in moaije, sljochte en bêst
ûnderhâlden ryddyk, dêrt’t âlde Hantsje syn
bêst op die. Hantsje wenne dêr earne by Kryt- en Pypstâl,
tusken Sweins en Frjentsjer. Nou is er de lêste jierren asphaltbeton
wei, gâns forbrede en it is der razend drok. In breed fytspaed leit
op ’e suderberm. De tram is der ek net mear.
De biplanting folge yn ‘’t jier 1850. In dûbele rige beammen,
om de oare: dan in esk en dan in iper. De tram hat de Noarderrige útroege,
âlderdom sloopt de Súdrigel.
Sa is dan yn 1842, by de oanliz fan de strjitwei “Halfweg” boud.
Huzen stienen der foartiids net: hy kaem op in kâld of nij sté
te stean. Dochs net op sa’n ûngelokkich plak. Hy kaem sahwat healwei
Ljouwert-Frjentsjer; 9 km fan Ljouwert en ek krapoan safier fan Frjentsjer.
Dat wie gjin tafallichheit. Dizze nije herberch soe yn it alderearste plak
postherberch wurde. De “sneltsjinst”“ fan ’e
postweinen en diligencen moast op ”Halfweg” hynders wikselje.
Dêrta wiene in baes fan trochreed en forskeidene hynstestallen. Ik wit
net oft dy postweinen mei twa of fjouwer hynders rieden, mar it moast hurd
en ik stel my sa foar gâns in ein yn in fjouwerjen.
Mei dat de strjitwei troch de Noarderlike en de Eastelike klokslach fan De
Ryp lein waerd, krige dit doarp ek in gaedlike forbining mei Ljouwert.
Foar 1842 dochs roun de ryddyk De Ryp - Ljouwert oer Menaem nei Bitgummole,
dan de sédyk lâns nei Marsum en sa nei Ljouwert. In koarter paed
wie de Trekwei lâns of troch de Puollen op Deinum oan. Mar dat wiene
gjin rydwegen. De lju fan Skingen folgen de saneamde âlde Skingsterdyk,
dy’‘t neist Schatzenburh op ’e Menamerdyk útkaam.
“Halfweg” kaem te stean yn Eastryp. Dy namme is net mear op it
doarp bikend. Ik haw him yn myn jongesjierren in inkelde kear noch heard.
Eastryp (Oost Dronrijp) wie yn 1842 noch fierwei it moaste stik fan ’t
doarp, al lei it bûten de buorren. It wie in beamryk lânsskip.
Yn Eastryp foun men: it slot Schaztenburg, yn 1724 boud troch de dames Huber,
mei bosk en tunen, koetshús en hynstestallen, heaberch en skourre.
Dan Fetza-state, yn 1842 gâns yn forfal, mar dochs in boskachtich plak.
Dan tichte by de Krúsdyk it oerbliuwsel fan Dotingastate of Readhûs,
ek allegearre beammen en kaphout. Dan it nijere Nij-Gralda, fuort by Halfweg.
En de Herberch sels krige in kreaze oanliz mei tún en berchje en fiver.
Yn ien wurd: Eastryp like doe hwat op ’e Wâlden fan Menameradiel.
Dy neamde âldelike staten binne nou fordwoun, bihalven dan Schatzenburg,
en de ommanteling fan fjilden, greide en bou is útroege. It is nou
in bulte keal fjild, mar yn 1842 wie de hiele streek boskeftich, Nij Gralda
is fuort nei 1880 ôfbrutsen. Fetza en Dotinga al folle earder.
Dêr moast ek de post foar de Ryp, Skingen en Menaem helle en brocht
wurde.
Mar der wie mear to dwaen. Dat in oare kear.
S.E. Wendelaar Bonga.
Geschreven in 1949
| DE HERBERCH HALFWEG (II) |
De lizzing
fan Halfweg tusken Frentsjer en Ljouwert bisoarge him in droke nearing. Ik
haw dat meimakke tusken 1890 - 1900. Nei 1900 kaem it forfal a. By tsientallen
kamen bygelyks op Freed de boeren op Halfweg om oan te stekken. De froulju
hwat kofje, de manlju in slokje; dat joech dêr yné tapkeamer
in drok fortier.
Doe wie de tiid fan de lange pipen al yn’t neigean, hoewol noch net
hielendal útstoarn.
De trochreed stie fol hynders, it hiem fol reauwen en it jongfolk formakke
him op touter en wipplank. Dat wiene bêste dagen foar de kastlein, de
kastleinsfammen en de feint en ek mannich arbeidersjonge hat der in grouwe
stûr forstjinne, mei hynste- hâlden en ynspannen.
In bûnt forskaet fan reauwen seach men dan: krompanelen seazen, mei
ien hynder of ek wol twa yn in bûgel. Glêzenweintsjes as de froulju
ek mei nei stêd reizgen. Seazen en tilbry’s, swarte en gele al
of net de kap del. Ek wol iepen seazen en iepen tilbry’s as de boer
de kap thús yn it weinhús bliuwe litten hie op waerme dagen.
Barouchetten, dat wiene sahwat heale koetsen. Omnibuskes en greatere omnibussen.
En as der earne trouwerij wie ek wol Bilt-weinen, dy’t in heal doarp
bergje koenen.
Der wie ek “stân”. Soks kaem fral út of immen mei
twa hynders ried ynpleats fan mei ien. In bulte nikkelwurk siet oan seas en
beage - wy seinen doe blyn sulver - in wite leije der by. En prachtich blinkende
kearslantearnen, it pronkje fan de boerinnen.
Forjit ek net de dagen fan Ljouwerter en Frentsjer merke. Dan ried it de hiele
nacht troch. Moarns fuort nei fjouweren, as wy in’e jister to melke
sieten, rieden de lêsten noch by ús lâns.
Op sokke dagen wie it dan in great jûchhei op “Halfweg”.
De dranklucht waeide ta de foardoar út en de trochreed stonk fan drank
en hynsteswit. Woe in bisite hwat langer pleisterje, dan kamen de hynders
ek wol op ‘e kamp, in stikje greide achterhûs.
De fédriuwers mei har keppels keallen en lammen hjerstmis koenen op
har reis fan Boalsert nei Ljouwert sa tongersdeitojouns “Halfweg”
min foarby komme. Och se hienen it ek oan tiid, hwant se moasten dochs de
hiele nacht mei har beesten op ‘e strjitwei bliuwe. As se de Freedtemoarns
mar op ‘e tiid to Lhouwert wienen dan wie it yn oarder.
*****
De cultuer waerd ek yn ‘e boppeseal fan “Halfweg” tsjinne.
Utfierings fan it foarssjongkoar de Harmonij, dounsjounen yn âlde folkstrant;
brulloften binne der hâlden, lân- en pleatsforhierings.
Op 6 desimber 1860 Sinteklaes dus, hawwe Waling Dykstra en Tsjibbe Gearts
van der Meulen dêr har winterjounenocht hâlden. De gemeente Menameradiel
hat der jierren lang it jongfolk lotsje litten foar soldaet. Dan kamen de
nûmers op ‘e pet, de drankflesse yn ‘e bûse en de
lange piip yn ‘e mûle. Fansels, dan gyng it der snijsum om troch.
Rypstermerke plichte to wêzen op de earste snein yn juny en de moandeis
dêrop. Dan wie der wol hurddraven. It ein strjitwei “Halfweg”
foarby op nei Marsum hiet yn myn jongesjierren it Hurddraversein. Doe’t
de tram yn 1900 kaam, koe der net mear draefd wurde en sa forfoel it Rypster
hurddraven.
Ja, dy tram hat “Halfweg” de knoei ek jown. Earst kaem de fyts,
doe de tram en de auto, noch letter de bus.
Doe’t de fytsen har yntré dienen yn it forkear roun net ien mear
nei Ljouwert en de fytsers stieken net folle oan. De auto’s hawwe in
part fan de riderij mei eigen reau fordreaun, mar de tram hat sahwat alle
reau fan ‘e dyk jage. Nou giet elk mei de bus en “halfweg”
foarby. Yn ien wurd, it is neat meat gedaen.
De heare- en boeresoasiteit, ek al yn “Halfweg” hat it sa njongenlytsen
opjown. Wyls ik hjir to skriuwen sit, sjoch ik op Sneintomiddei de trouwe
stamgasten sa om in ûre of fiif noch gean. It is út.
Inkele kastleins wol ‘k noch neame. De âldste dy’t ik neamen
hearde, mar it wie foar myn tiid, hat west Jochum Donia. By him wie dat Winterjounenocht
fan desimber 1860.
Hoe lang Donia noch op “Halfweg” wenne hat wit ik net, mar doe’t
yn 1863 de spoarwei Harns-Ljouwert klear kaem (14 oktober) bouden de Donia’s
op Hatsum it Stasjonskofjehûs. Dêr is Jochum sa njonkenlysten
ek hinne tein. “Halfweg” kaem doe yn’e hannen fan Jan Bakker.
It is deselde Jan Bakker dy’t neamd wurden is yn forbân mei it
fémerkjubileum. Hy wie de man dy’t yn 1874 by de iepening it
measte fé oanbrocht hie. Jan Bakker wie kouwekeapman en ek hynstekeapman.
Hy hie gewoanlik de stâl fol fan ‘e bêste hynders. Ik haw
wol ris sizzen heard, dat hy in wakkere hynsteman wie, dy’t alles mei
de bisten wurde koe. Se gyngen al oan fan wille, as se syn lûd yn it
bûthús hearden.
Yn syn dagen wie it op “Halfweg” in great spul en Jan Bakker,
net allinne kastlein en keampan, mar ek jager, wie yn it hele gea bikend.
De memmen songen doetiids, lyk as nou noch, har bernstjes greach hwat foar.
In lyst berneferske, faek breklik fan wurd en rym. Op ‘e Ryp yn myn
jongestiid bygelyks:
Dar komt het Franeker trekschip an,
Tetteretet-tet-tet!
De schipper is dronken en ‘t peard is lam,
Tetteretet-tet-tet!
En sa ek:
Jan Bakker, dy stakker,
Twa hynders foar de wein,
De iene is kreupel,
De oare is to’n ein.
Op Jan Bakkier folge Winkel. Dy
hat der net lang west.
Nei Winkel kaem Marten Bonnema en dy hat jierren lang kastlein op “Halfweg
west, faeks wol 20 jier. It wie doe noch in fleurich spul, hoewol de greatste
drokte fuort nei 1900 gâns saksearre. It spul waard kreas ûnderhâlden
en de tún wie altyd mar knap ym oarder. Letter hat syn soan Klaes Bonnema
noch in pear jier kastlein west.
Doe hawwe de Bonnema’s it hiele spul forkocht oan de hearen fan Schatzenburg,
de Gasthúsfâlden.
It doel wie doe, de herberch soe ôfbrutsen wurde en der soe in slotsje
foar yn ‘t plak komme Dêr is neat fan kommen, hwant de takomstige
biwenner forstoar. De herberch bleau dus en Pibe Prins waerd kastlein. Dat
slagge net sa bêst en nau 24 jier lyn is Minne Westra yn “Halfweg”
kommen. In fiks bistean siet der doe al net mear yn, mar Westra hie koumelkerij
en hwat bou der by. Achter de herberch stie in skuorre mei in bûthús,
der’t hy syn bidriuw útoefent.
De herberch is foar de hearen fan Schatzenburg in strop, fral nou’t
it ûnderhâld sa djûr is. Dat se hawwe bisletten it sil ophâlde.
Doe’t ik woansdei 20 april noch even by Minne oanwest ha om ien en oar
to bipraten, wiene se drok dwaende de tapkamer ta feestseal to meitsjen.Janny,
de dochter, soe de oare deis trouwe.
Dy brulloft sil dus de lêste greate en fleurige oansit west hawwe en
dêrnei;
“Halfweg” exit!
S.E. Wendelaar Bonga

| FOTO'S: | - Ingezonden door: | - Lieuwke Douma |
| - Willem Poerink | ||
| INHOUD | - Tsjerkebuorren | |
| - Dubelestreek 18 | ||
| - It Heech 1 | ||